Volkskrant,
11-02-2002
Zielig van
die benen
Kalm
aan doen, adviseerde de neuroloog die de ziekte ms bij Chris Veraart
constateerde. Maar Veraart wilde niet zielig zijn. Ondanks zijn handicap
werd hij een van de bekendste zedenadvocaten van Nederland. Deze week
verschijnt 'Ja kun je krijgen!', een bundel waarin hij vol zelfspot
zijn praktijk beziet.
door Ellen de Visser
In
1975, hij is net begonnen met zijn advocatenpraktijk, verdedigt Chris
Veraart een jonge moeder die haar kinderen dreigt kwijt te raken aan
haar ex-man. De vrouw heeft multiple sclerose, haar ex beweert dat zij
daarom niet meer voor hun twee kinderen kan zorgen. Veraart heeft geen
benul wat ms voor ziekte is en laat zich door hoogleraren en neurologen
nauwkeurig op de hoogte stellen.
De zaak leidt tot talloze zittingen, getuigenverhoren, kort gedingen
en procedures in hoger beroep. De tegenpartij heeft de buren ingeschakeld
die over de schutting hebben gegluurd om de moeder te bespioneren. De
advocaat van de ex-man begint zijn pleidooi met hun brief: 'Evengoed
zielig van die benen, maar mevrouw is hartstikke asociaal.''Veraart
verliest, de kinderen worden door de Kinderbescherming bij de moeder
weggehaald. Hij kan zich er nog kwaad over maken. 'Het is de zaak waarin
ik het hardste heb gevochten.'
Zes jaar later wordt hij opgenomen in de Boerhaavekliniek in Amsterdam.
Hij heeft tintelende vingers en voeten en hij kan zijn pleitnota's nauwelijks
meer lezen. Het vonnis luidt: ms. In de auto op de terugweg naar huis
moet hij huilen. 'O, ms', zegt een familielid die zelf arts is. 'Dan
heb je zeker nog wel een jaar te leven.'
'U moet heel kalm aan doen', zegt de neuroloog. 'Lekker langzaam door
de afgevallen blaadjes lopen of rustig bij uw open haard gaan zitten.'
Maar Veraart koopt een stok en later een rollator en ontwikkelt zich
tot een van de beste zedenadvocaten van Nederland. Gespecialiseerd in
valse aangiften, waarover hij een geruchtmakend boek publiceert. Seks
is een wapen geworden, schrijft hij, dat uit rancune of wraak steeds
vaker in stelling wordt gebracht.
Cliënten ontvangt hij dan al jaren aan de keukentafel van zijn
huis in Bergen. Pleitnota's schrijft hij met behulp van de spraakcomputer.
Als lopen echt niet meer gaat, pleit hij zittend vanuit zijn elektrische
rolstoel en legt een van zijn vrijwillige chauffeurs in de rechtszaal
de stukken voor hem gereed. Hij koopt een Chrysler Voyager die door
zijn veren kan zakken zodat hij er met zijn rolstoel kan inrijden. 'u
bent veel te druk', zegt zijn fysiotherapeut. In de zomer van 1999 doet
hij met zijn neuroloog in het kader van de week van de chronisch zieken
op de publieksdag een presentatie als 'ms-koppel'. De zaal lacht zich
krom om die advocaat die vertelt hoe vaak hij probeert om met zijn elektrische
driewielscooter rivalen in te halen en hoe populair hij is bij zijn
4-jarig neefje dat staand voorop de rolstoel, geweer in de aanslag,
honderden boeven met hem vangt.
MenSen, het blad van de ms-patiëntenvereniging, vraagt hem als
columnist. In een maand tijd schrijft hij veertig verhalen. Er meldt
zich een uitgeverij, met het verzoek of hij er nog dertig bij wil maken.
Zeventig optimistische fragmenten uit een advocatenleven met ms. Veraart
wil zijn boek eerst vernoemen naar die rechtszaak van bijna dertig jaar
geleden: 'Evengoed zielig van die benen'.
Maar dan vindt hij in de kast het boek Nee kun je krijgen dat Renate
Rubinstein in 1985 schreef over 'die rotziekte'. Over haar minderwaardigheidsgevoel,
de angst om uitgestoten te worden. Hij heeft het nooit willen lezen.
Zijn vrouw wel. Zij schreef Rubinstein na lezing een brief. Het antwoord
van de schrijfster ligt nog voorin. 'Beste Willemijn, intussen zijn
jullie toch wel van die schaamte af?' Zijn boek, dat deze week verschijnt,
vormt bijna twintig jaar later het antwoord op die vraag: Ja kun je
krijgen!
Hij heeft net een vreselijke 'ms-ochtend' achter de rug. Twee keer zijn
halsalarm moeten gebruiken omdat hij was gevallen. 'Wij kennen u niet,
meneer Veraart', had de telefoniste van de thuiszorg monter geroepen.
Terwijl hij de afgelopen jaren door zeker vijftig thuishulpen 's morgens
onder de douche is gezet. 'Bleek ik niet goed ingevoerd in hun bestand.
Ik maak elke keer weer van die absurdistische dingen mee', zegt hij.
Hij kan ervan genieten. Krijgt hij zo'n in een plastic gestoken tijdschrift
in de bus dat hij alleen maar kwijlend, bijtend en trekkend met zijn
tanden kan opensjorren waardoor hij uiteindelijk een hele hap uit het
papier neemt, denkt hij meteen: daar kan ik straks weer een leuk stukje
over schrijven.
Zijn boek is doorspekt met zelfspot. Over zijn onhandige motoriek en
het vele plassen ('als ik een hond was, zou ik een groot territorium
hebben'). Over de opmerkingen die hij 'gratis en voor niets' naar zijn
hoofd krijgt als hij in zijn rolstoel zit ('Lekker aan het racen, ouwe
gek?'). Over de honderden adviezen die hij de afgelopen jaren aanhoorde:
uitsluitend zilvervliesrijst eten, alle vullingen uit je kiezen laten
halen, baden in kastanjepuree, roze stenen om je nek, een operatie door
Filipijnse gebedsgenezers, terugkeren naar het prenatale stadium of
liever nog naar de tijd daarvoor.
Hij beschrijft hoe hij op pad gaat in zijn scootmobiel, zijn tas met
mobiele telefoon en reisurinaal 'als een kangoeroe' om hem heengeslagen.
Wat voor gedoe het is om door de invalideningang van het statige paleis
van justitie op de Amsterdamse Prinsengracht en via allerlei geheime
gangetjes en liftjes uiteindelijk de zittingszaal op de eerste verdieping
te bereiken. Dat zijn kleindochter hem opa Toetoet noemt, naar dat kinderachtige
toetertje op zijn rolstoel. Een rolstoel waarop de twee snelheden worden
weergegeven door pictogrammen van een haasje en een schildpad. Maar
zet hem niet neer als een moedige stumperd die ondanks alles zijn vak
wil blijven uitoefenen. Hij draait het om. 'Ik wil nou niet meteen beweren
dat het leven met ms zo mooi is, maar de ziekte heeft mij wel veel gebracht.
Om het groots te zeggen: in de zoektocht naar mezelf heeft ms me verder
geholpen, als mens en als advocaat.'
Zijn ziekte dwingt hem de tijd te nemen voor zijn cliënten. Ereregel
in de advocatuur, weet hij: de status hooghouden, nooit cliënten
thuis uitnodigen en al helemaal niet met ze bevriend raken. 'En kijk
mij nou, ik ontvang in mijn keuken, moet tijdens een gesprek minstens
drie keer naar de wc, maar hier komen de verhalen en de tranen. En ontstaan
vriendschappen'.
Emoties, heeft hij gemerkt, worden door de ms gekwadrateerd. Onverbloemd
schrijft hij over zijn privéproblemen. Over zijn huwelijk dat
in de loop der jaren door zijn ziekte volkomen op zijn kop wordt gezet.
Over zijn impotentie, de boosheid omdat 'hij' het niet meer doet. 'Altijd
ligt het aan een ander. Nooit komt het door mij.'
Hij wordt verliefd op een vrouw die ook ms heeft, zijn huwelijk strandt.
Dan pas beseft hij waar het werkelijk om draait: 'dat het verdorie alleen
maar gaat om hoe je elkaar met de pink aanraakt'. Hij noemt het 'een
cadeautje van ms': 'Ik heb geleerd wat liefhebben is.'
Zijn boek heeft hij opgedragen aan de vrouw met wie hij 28 jaar samen
is geweest. Zij woont nu elders. Hij houdt nog steeds van haar. Scheiden
willen ze allebei niet. 'Alle aandacht ging altijd naar mij. Ik heb
veel te laat ingezien dat zij totaal in de kou is blijven staan.'
Met zijn zeventig optimistische fragmenten sluit hij een periode van
twijfel en onzekerheid af. Sombere perioden heeft hij gekend, gepieker
over zijn privéleven, over zijn werk, zijn lijf dat almaar verslechtert.
De titel van zijn boek, zegt hij, is ook bedoeld als aanmoediging voor
hemzelf.
Vanuit de serre van zijn huis ziet hij uit over de Damlander polder
en de duinen aan de horizon. Een jaar lang heeft hij gestreden voor
behoud van het natuurlandschap dat bollenveld moest worden. 'Dat had
ik nooit gedaan als ik nog druk, druk was geweest als advocaat.'
Op zijn bureau liggen sinds deze week weer vijf nieuwe zaken. De telefoon
gaat vijftig tot zestig keer per dag. 'Actief zijn, brieven schrijven
en mensen ontmoeten is beter voor me dan heel voorzichtig een middagje
oefeningen doen.'
Zijn volgende boek is alweer voor de helft klaar. 'Ik merk opeens dat
ik duizenden verhalen in mijn hoofd heb. Als ik ervoor ga zitten, schrijf
ik ze in een halfuurtje.' Ms is niet langer de rode draad. Zo neemt
hij zich voor een stukje te schrijven over schaatsersbillen. Vriendinnen
vertelden hem tot zijn hilariteit dat ze louter vanwege die billen avond
aan avond naar de Olympische Winterspelen keken: 'Zo decent, nog mooier
dan naakt. En dan trekken die mannen als toegift ook nog de rits van
hun pak omlaag.'
Het boek van Renate Rubinstein wil hij nu wel lezen. Dan zal hij kennisnemen
van haar 'levenslist' tegen teleurstelling en verlies: alles laten meevallen,
afleren om in de toekomst te leven.
Soms denkt hij nog weleens terug aan de arts van het GAK, die twintig
jaar geleden in zijn rapport schreef: 'Meneer Veraart heeft een stok
bij zich en doet alsof hij niet kan lopen.' Hij heeft gemerkt dat de
kracht in zijn armen langzaam afneemt. Het is twijfelachtig, zegt hij,
hoe lang hij zijn werk nog volhoudt.
Aan zijn neuroloog vroeg hij onlangs of hij blind zal worden. Die zei:
'Je wordt in ieder geval niet gek.' Aanvankelijk vond hij het een hufterig
antwoord, maar nu realiseert hij zich hoe troostend die woorden zijn.
'Ik heb altijd gedacht: blind is het ergste. Maar nou weet ik het. Gek
is nog erger.'